VVJ c.s. / Staat (Persrichtlijn Rechtspraak 2025)

Rechtbank Den Haag 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11505

Deze zaak draait om de nieuwe Persrichtlijn 2025 van de Rechtspraak. Daarin staat welke faciliteiten journalisten in gerechtsgebouwen mogen gebruiken, zoals livestreamen en -bloggen en het maken van beeld- en geluidsopnamen tijdens zittingen. Nieuw is dat alleen journalisten met een perskaart van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), een perskaart van de Internationale Federatie voor Journalisten (IFJ), een politieperskaart of lidmaatschap van de Buitenlandse Persvereniging toegang krijgen tot die faciliteiten. De genoemde perskaarten zijn alleen via de NVJ te verkrijgen en de NVJ gaat in beginsel alleen over tot verstrekking als iemand voldoende tijd besteedt aan en/of inkomen genereert uit journalistieke activiteiten. Het lidmaatschap van de Buitenlandse Persvereniging staat alleen open voor journalisten die in Nederland werkzaam zijn voor buitenlandse media.

Eisers zijn de Vereniging van Vrije Journalisten (VVJ) en twee van haar leden die regelmatig rechtszaken filmen en daar live verslag van doen via internet en social media. Onder de oude Persrichtlijn 2013 konden zij gebruikmaken van de persfaciliteiten na ondertekening van een protocol. Onder de nieuwe richtlijn verliezen zij die toegang, omdat zij niet beschikken over één van de voorgeschreven perskaarten of een lidmaatschap van de Buitenlandse Persvereniging.

De VVJ en de journalisten stellen dat de nieuwe accreditatieregels in strijd zijn met de persvrijheid en de openbaarheid van rechtspraak. Volgens hen bepaalt de Rechtspraak nu feitelijk via de NVJ wie als journalist wordt erkend, terwijl ook onafhankelijke journalisten, zoals bloggers en vloggers, te goeder trouw een bijdrage kunnen leveren aan het publieke debat.

De rechtbank stelt voorop dat de vrijheid van nieuwsgaring wordt beschermd door artikel 10 EVRM en nauw samenhangt met de openbaarheid van rechtspraak uit artikel 6 EVRM. Fundamentele vrijheden mogen alleen worden beperkt als voldaan is aan alle voorwaarden die in deze artikelen worden genoemd: het moet gaan om een bij wet voorziene beperking, die een legitiem doelt dient en die bovendien noodzakelijk is in een democratische samenleving ter verwezenlijking van dat doel. Dat betekent concreet dat sprake moet zijn van een zwaarwegend maatschappelijk belang, de inbreuk proportioneel moet zijn, en de overheid moet relevante en voldoende gronden aanvoeren die de inmenging rechtvaardigen

De pers vervult volgens de rechtbank een essentiële publieke waakhondfunctie. De rechtbank stelt vast dat het medialandschap door social media en nieuwe technologie sterk is veranderd. Journalistiek wordt niet langer alleen bedreven door traditionele mediabedrijven, maar ook door onafhankelijke makers die niet per se van journalistiek leven. Omdat journalist geen beschermd beroep is, is het volgens de rechtbank ingewikkelder geworden om te bepalen wie toegang moet krijgen tot persfaciliteiten van de Rechtspraak.

Dat de Rechtspraak regels mag stellen over het gebruik van gerechtsgebouwen en zittingszalen staat volgens de rechtbank niet ter discussie. Ook erkent de rechtbank dat belangen als privacy, veiligheid van procesdeelnemers en een ordelijk verloop van zittingen legitieme redenen vormen om persfaciliteiten te reguleren; de regels dienen met andere woorden een legitiem doel. De vraag is echter of de gekozen accreditatievoorwaarden ook noodzakelijk en proportioneel zijn om dat doel te dienen.

Volgens de rechtbank is dat niet het geval. De Staat heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom juist de NVJ-perskaart en de andere genoemde legitimaties bepalend zijn geworden voor toegang tot de persfaciliteiten. Ook ontbreekt duidelijkheid over de manier waarop uitzonderingen worden gemaakt voor journalisten die niet voldoen aan inkomens- of ureneisen, maar wel journalistieke werkzaamheden verrichten die bijdragen aan het publieke debat. Dat de gerechten zelf ook uitzonderingen op de toegangseisen kunnen maken, is onvoldoende omdat nergens is vastgelegd aan de hand van welke criteria rechters zouden moeten toetsen of een uitzondering kan worden gemaakt.

De rechtbank wijst erop dat ook actieve burgers, bloggers en vloggers onder omstandigheden bescherming genieten onder artikel 10 EVRM. Door de toegang tot persfaciliteiten vrijwel volledig afhankelijk te maken van erkenning door de NVJ, worden volgens de rechtbank bepaalde groepen ten onrechte uitgesloten. Daarbij speelt mee dat de NVJ-perskaart alleen verkrijgbaar is onder voorwaarden zoals een minimuminkomen of voldoende tijdsbesteding aan journalistiek werk.

De rechtbank oordeelt daarom dat de accreditatievoorwaarden van artikel 2.1 van de Persrichtlijn 2025 weliswaar een legitiem doel dienen, maar niet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De regeling is daardoor in strijd met artikel 10 EVRM en dus onrechtmatig en onverbindend.

Een ander bezwaar van eisers – het vervallen van de verplichting om afwijkende beslissingen over persfaciliteiten te publiceren – slaagt niet. Volgens de rechtbank raakt dat niet aan de openbaarheid van rechtspraak zelf, omdat journalisten nog steeds toegang houden tot openbare zittingen en daar verslag van kunnen doen.

De rechtbank verklaart al met al voor recht dat de accreditatievoorwaarden uit de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig en onverbindend zijn wegens strijd met artikel 10 EVRM, maar wijst de vordering af die ertoe strekte de volledige Persrichtlijn buiten werking te stellen, omdat de bezwaren van de eisers alleen gericht waren op de accreditatievoorwaarden.

Next
Next

De Roy van Zuydewijn / RTL en Videoland