Rij-instructeur / oud-leerlinge
Rechtbank Den Haag 1 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18257
Eiser in deze zaak is rij-instructeur en eigenaar van een rijschool. Gedaagde heeft ruim een jaar rijlessen bij hem gevolgd. Nadat tussen hen een conflict ontstaat, stopt zij met de lessen en plaatst zij de volgende dag een review op Google. Ze geeft de rijschool één van de vijf sterren en is kritisch over onder meer de manier van lesgeven en de communicatie.
Met name één passage uit die review schiet bij de rij-instructeur in het verkeerde keelgat. De oud-leerlinge schrijft dat hij tijdens de lessen meermaals zonder duidelijke reden haar dijen heeft aangeraakt en dat zij dit als grensoverschrijdend en onprofessioneel heeft ervaren. Zij heeft daaraan toegevoegd dat hij “hetzelfde gedrag bij bijna elke vrouwelijke leerling, ook bij minderjarige leerlingen” vertoonde. Nadat de rijinstructeur aangifte doet van smaad en laster, past zij die laatste zin aan naar: “Overigens vertoonde hij hetzelfde gedrag bij andere vrouwelijke leerlingen”. Enkele maanden later verwijdert zij de review helemaal.
Daarmee is de kous niet af. De rij-instructeur stelt dat de review zijn reputatie en die van zijn rijschool ernstig heeft beschadigd. Zijn omzet zou zijn gekelderd en nieuwe aanmeldingen zouden zijn opgedroogd. Hij houdt gedaagde daarvoor verantwoordelijk en meent dat het plaatsen van de review door de oud-leerlinge een onrechtmatige daad ten opzichte van hem oplevert. Hij vordert ruim € 27.000 van haar aan schadevergoeding, die bestaat uit gederfde winst in het halfjaar dat volgde op de originele review. De oud-leerlinge staat nog steeds achter haar review, hoewel die t.t.v. de rechtszaak helemaal verwijderd is, en betwist zowel de onrechtmatigheid van haar handelen als het verband tussen haar review en de gestelde schade.
De rechtbank moet dus het recht van de rij-instructeur op bescherming van zijn eer en goede naam (zoals beschermd door artikel 8 EVRM) afwegen tegen de vrijheid van meningsuiting (zoals beschermd door artikel 10 EVRM) van zijn oud-leerlinge. De rechtbank stelt voorop dat het om een review gaat, en dat het voor lezers in beginsel voldoende duidelijk zal zijn dat die een persoonlijke mening van de auteur bevat. Wie vindt dat hij of zij slecht is behandeld, mag daarover publiekelijk zijn onvrede uiten en daarbij de eigen mening stevig aanzetten of enigszins (dus niet: ongelimiteerd) overdrijven. De rechtbank brengt ook in herinnering dat het beginsel van hoor en wederhoor niet aan de orde is ingeval van een review.
Omdat tijdens de procedure duidelijk wordt dat de instructeur eigenlijk alleen bezwaar heeft tegen de vier zinnen die samen de alinea vormen over zijn vermeend grensoverschrijdend gedrag, toetst de rechtbank uitsluitend die zinnen.
De rechtbank stelt t.a.v. de eerste drie zinnen voorop dat gedaagde een eigen ervaring beschrijft en haar mening en gevoel daarover deelt. Haar mededeling dat de rij-instructeur haar dijen heeft aangeraakt, is vooral feitelijk van aard. Hij ontkent dat, maar de oud-leerlinge heeft haar verhaal in de procedure goed toegelicht en verwijst bovendien naar een verklaring van haar zus, die bij dezelfde rij-instructeur een soortgelijke ervaring zegt te hebben gehad. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat haar bewering evident onjuist is. Dat de oud-leerlinge het gedrag vervolgens als grensoverschrijdend en onprofessioneel kwalificeert, is haar persoonlijke mening. De stevige bewoordingen die zij daarbij gebruikt, zijn niet onnodig grievend oordeelt de rechtbank. Dit deel van de review is dus niet onrechtmatig.
Dat ligt anders voor de oorspronkelijke bewering dat de rij-instructeur dit gedrag bij “bijna elke vrouwelijke leerling, ook bij minderjarige leerlingen” zou hebben vertoond. Voor die beschuldiging van feitelijke aard bestaan onvoldoende aanknopingspunten. En juist omdat daarin de ernstige insinuatie van grensoverschrijdend – en mogelijk strafbaar – gedrag besloten ligt, kan de beschuldiging de persoonlijke en professionele reputatie van de rij-instructeur ernstig beschadigen. Omdat gedaagde niet in staat is met behulp van bewijs aan te tonen dat deze beschuldiging juist is, oordeelt de rechtbank dat dít deel van de oorspronkelijke review onrechtmatig is. De latere, afgezwakte mededeling dat de instructeur hetzelfde bij “andere vrouwelijke leerlingen” deed, kan volgens de rechtbank wél door de beugel, omdat het bewijs daarvoor geleverd is in de vorm van haar eigen verklaringen en die van haar zus.
Toch krijgt de rij-instructeur geen schadevergoeding. Hij moet aantonen dat juist het onrechtmatige deel van de review de omzetdaling heeft veroorzaakt en dat lukt hem niet. Uit zijn stukken blijkt niet dat na de review specifiek het aantal vrouwelijke of minderjarige leerlingen terugliep. Bovendien kan een negatieve éénsterrenreview op zichzelf invloed hebben op nieuwe aanmeldingen, terwijl zo’n negatieve beoordeling niet zonder meer onrechtmatig is. Niet de review als geheel, maar slechts één zin daarvan was onrechtmatig. De rechtbank oordeelt daarom dat het vereiste causale verband met de gestelde omzetderving niet vaststaat. De vorderingen worden afgewezen en de rij-instructeur moet de proceskosten van zijn oude-leerlinge betalen.